|
|
|
|
|
Bij het uitbreken van de 1e Wereldoorlog diende het Nederlandse Leger
rekening te houden met aanvallen uit verschillende richtingen. Het
veldleger werd daarom geplaatst in een afwachtingopstelling.
De Ie Divisie kreeg de taak de kust te verdedigen, de IIe Divisie werd
opgesteld achter de IJssel en de Beneden-Rijn tegen een aanval vanuit het
oosten, de IIIe Divisie zou in Brabant, Zeeland en Limburg dienen op te
treden tegen een aanval tegen het zuiden van het land, en de IVe Divisie
lag als reserve in de omgeving van Amersfoort.
| Kolonel G.A. Buhlman als commandant van het 3e Regimant Infanterie. Tot eind 1915 was hij Commandant Veldleger. |
Toen bleek dat de oorlog zich dicht bij onze zuidelijke landsgrens
afspeelde werd de opstelling aangepast. Het zwaartepunt werd verlegd naar
het zuiden van het land. De in reserve gehouden IVe Divisie werd
verplaatst naar Oost-Brabant, en de IIIe Divisie werd versterkt met een
houwitserafdeling en opgesteld in West-Brabant; ook de Cavaleriebrigade
werd daarheen verplaatst.
Op 25 september 1915 werd er voor de kust van Walcheren een Britse vloot
gesignaleerd. Om de positie van de in West-Brabant gelegerde onderdelen zo
sterk mogelijk te doen zijn werd er in november 1915 begonnen met het
verkennen en voorbereiden van een tijdelijke stelling. Op 17 november 1915
gaf de Opperbevelhebber Land en Zeestrijdkrachten (O.L.Z.) opdracht een
zodanige stelling in te richten op de Brabantse Wal. In december 1915 werd
een eerste ontwerp voor de toen nog zo genoemde “Stelling Woensdrecht –
Steenbergsche Vliet” bij hem ingediend en nog in dezelfde maand
goedgekeurd. Er was reeds besloten dat, als Britse troepen in Zeeland
binnenvallen, het geval “Kust Ontruimen” (K.O.) van toepassing zou worden.
De Generale Staf ging er vanuit dat Walcheren vrijwel niet te verdedigen
was. Er waren te weinig troepen om de lange kust te verdedigen en er was
voor het Veldleger in Zeeland te weinig ruimte om te manoeuvreren. De in
Walcheren aanwezige troepen zouden daarom geleidelijk worden
teruggetrokken richting Noord-Brabant. Hierbij zouden zij steun krijgen
van diverse kleinere schepen van de Marine zoals pantser- en
kanonneerboten. De Sloe-, Zanddijk en Kreekrak-stellingen waren niet
geschikt om een inval uit het westen op te vangen, en het geschut uit deze
stellingen diende per trein naar de nieuw in te richten stelling vervoerd
te worden. De C.V. kon over de IIIe en IVe Divisie beschikken om een
aanval op de Brabantse Wal af te slaan. Delen van deze divisies werden,
evenals de Cavalerie Brigade, nabij Roosendaal in reserve gehouden.
Begin 1916 startte in het zuidelijk gedeelte van de stelling het aanleggen
van tijdelijke schuilplaatsen en loopgraven. In het noordelijk gedeelte
werd hiervan afgezien omdat dit de dijken, waarin een groot gedeelte van
de stelling uitgegraven zou moeten worden, te veel zou verzwakken.
In deze periode was voor het eerst sprake van de benaming “Stelling West
Noord-Brabant”.
Het aanleggen van de tijdelijke verdedigingswerken gebeurde niet altijd
even goed. Vele loopgraven voldeden niet aan de gestelde eisen en lagen
niet altijd op de best mogelijke plaats. De Commandant van de IIIe Divisie
merkte hierbij op: “er is angstvallig getracht de kosten voor
terreingebruik tot het minimum te beperken” (1).
Ondertussen werden er plannen gemaakt voor de wijze waarop de stelling
verder uitgebouwd moest worden en Commandant Veldleger trachtte hiervoor
fondsen te krijgen.
Onder andere werd voorgesteld schuilplaatsen te maken van jukken en platen
van gewapend beton. Maar de O.L.Z., van huis uit een Genie officier
(2), keurde het plan af omdat uit
proefnemingen gebleken was dat volgens dit systeem opgetrokken
schuilplaatsen de nodige stijfheid misten en te makkelijk zouden
instorten.
Begin 1917 was er nog niet veel gebeurd. De divisiecommandanten beklaagden
zich hierover. Zij vreesden dat, als er niets gebeurde, de Duitsers de
stelling in bezit zouden kunnen nemen, onder het mom van hulpverlening. De
C.V. stelde daartegenover dat het weinig zin had de Stelling volledig in
te richten zolang vijandelijkheden uitbleven. Wanneer dat wel zou gebeuren
kon de stelling alsnog ingericht worden volgens de regels der
veldversterkingskunst, daarbij rekening houdend met de laatste
oorlogservaringen. Dan kon ook tot de bouw van zwaardere constructies
overgegaan worden. (3) De O.L.Z was het hier
blijkbaar toch niet geheel mee eens en in augustus 1917 kwam er 100.000,-
gulden beschikbaar. Maar de Opperbevelhebber moest de commandant van het
veldleger toch eerst nog eens verzoeken om definitieve plannen voor te
leggen. Eind augustus kon tenslotte met de bouw worden begonnen.
In maart 1918 gaf Commandant Veldleger zijn divisiecommandanten een
overzicht van de strategische toestand van dat ogenblik. Hij stelde dat de
tot dat moment ontplooide activiteiten pasten in een groter plan dat hij
noemde de “POSITIE West Noord-Brabant”. De aangelegde linie was daarin
slechts de voorste.
Ook haalde de C.V. een inlichtingenrapport aan waaruit bleek dat Duitse
troepen bij Santvliet (België) een batterij van 4 stukken geschut van 32
cm op draaibare voetstukken opgesteld hadden waarmee zij in staat waren de
Schelde en de spoordam door het Kreekrak onder vuur te nemen in het geval
van een Britse aanval via Zeeland. Voor de komende tijd was het
noodzakelijk alle plannen voor de tweede en derde linie te completeren en
de voorraden aan te leggen van benodigd materiaal zodat op elk gewenst
ogenblik de troepen meteen aan de slag konden met het aanleggen van deze
linies (4).
In augustus 1918 bleek echter dat de eerste linie in het zuidelijke deel
tussen de steunpunten nog steeds niet geheel was afgewerkt.
In november 1918 kwam de Eerste Wereldoorlog tot een einde. Wat er na de
mobilisatie besloten werd met betrekking tot de Stelling komt in de
bestudeerde archiefstukken niet tot uiting.