De stelling liep vanaf de monding van de Dintel tot aan de Belgische
grens bij Ossendrecht. Ten zuiden daarvan waren Duitse troepen behorend
tot de Stelling Antwerpen gelegerd. Tussen de Dintel en de Zoom bij Bergen
op Zoom lag het vak van de IVe Divisie. Van daar tot aan de Belgische
grens was het vak van de IIIe Divisie.
Van de gehele stelling werden alleen de gedeelten tussen de Roosendaalse
en Steenbergse Vliet en de noordzijde van Bergen op Zoom en van
Hildernisse tot de Belgische grens van veldversterkingen voorzien. Deze
gedeelten worden hierna meer uitgebreid besproken.
Het gedeelte van de Roosendaalse en Steenbergse Vliet tot aan de Dintel
lag langs de oever van het Volkerak en sloot aan op de Stelling van het
Hollandsch Diep en het Volkerak gelegen rond Willemstad. Hier zou alleen
worden gepatrouilleerd door onderdelen van de Cavalerie Brigade. Daarvan
waren ook waarnemingsdetachementen op Tholen en St. Philipsland
gestationeerd; deze taak werd in 1916 overgedragen aan een bataljon van de
IVe Divisie.
Ook in het gedeelte nabij Bergen op Zoom tussen de Zoom en Hildernisse zou
alleen patrouillegang plaatsvinden omdat de voorliggende slikken van het
Markizaat van Bergen op Zoom vrijwel onbegaanbaar werden geacht. Het is
niet duidelijk welke en hoeveel troepen hiervoor beschikbaar waren.
Het noordelijke gedeelte van de Stelling West Noord-Brabant liep westelijk van de Brabantse wal, vanaf Kladde naar Lepelstraat, Halsteren en via Noordgeest naar Bergen op Zoom. Aldaar heeft de Brabantse Wal een hoogte van ruim 7 meter boven N.A.P. Bij Kladde is dit ca. 4 meter waarna de terreinhoogte in de voorgelegen polders daalt tot minder dan 1 m + N.A.P.. De noord- en westrand van de stelling werd begrensd door de Roosendaalse en Steenbergsche Vliet en de door de slikken van de Oosterschelde.
Het noordelijk gedeelte van de Stelling West Noord-Brabant viel, naar
soort terrein, in drie gedeelten te onderscheiden. Het eerste deel liep
via de Heensche Dijk tot aan het buurtschap Kladde. Omdat de stelling hier
dwars door de inundatie liep moesten de gevechtsloopgraven en
schuilplaatsen in en achter de aanwezige dijken worden aangelegd. Het
tweede deel liep vanaf Kladde naar het 2 km ten zuiden daarvan gelegen
Kijkuit. Hier lag de stelling tegen de rand van de Brabantse Wal, zodat
het mogelijk was enkele loopgraven achter elkaar aan te leggen en deze met
elkaar te verbinden. Het derde deel liep vanaf Kijkuit tot de Keerdijk
(5) en Noordgeest. Hier gold hetzelfde als
voor het eerste gedeelte. Waar de geïnundeerde polders afgetapt zouden
kunnen worden diende vóór de eerste linie een prikkeldraadversperring van
10 meter diep te worden aangelegd.
|
Een van de ontwerpen voor het infanteriesteunpunt bij Halsteren. Klik op afbeelding voor een vergroting. |
Bij een achttal accessen werden infanteriesteunpunten aangelegd. Deze bestonden uit een gevechtsloopgraaf met daarachter enkele granaatvrije schuilplaatsen voor een ¼ sectie (10 à 12 man) infanterie, en enige mitrailleuropstellingen met elk een eigen schuilplaats voor de bediening. Aan de keelzijde lagen borstweringen met elk een betonnen schuilplaats en nog een opstelling voor mitrailleur met bijbehorende schuilplaats.
Voor de schuilplaatsen waren diverse modellen voorgesteld. Ze dienden bestand te zijn tegen enkele inslagen van een 12 cm houwitser. De keus was gevallen op een model gebaseerd op een ontwerp van de Genie (6).
Dit bestond
uit een schuilplaats van 18 cm dik gewapend beton met daaroverheen een
puindekking van 75 tot 100 cm. De achter de inundatie gelegen steunpunten
waren omgeven door een prikkeldraad versperring en aan de keelzijde
voorzien van een natte gracht. De drie zuidelijkste steunpunten werden
inderdaad aangelegd in de eerste helft van 1918. Het vierde steunpunt, bij
Kladde, werd nooit aangelegd omdat ter plaatse enkele huizen lagen die de
divisiecommandant niet op voorhand wilde laten slopen. Wel werden daar
enkele eenvoudige versperringen en borstweringen aangelegd; het was de
bedoeling dit steunpunt in geval van toenemende spanning verder af te
werken.
De vier noordelijke steunpunten werden slechts in een voorlopige staat van
verdediging gebracht, de betonnen schuilplaatsen waren in augustus 1918
nog niet gebouwd.
Het is niet duidelijk waar de tweede en derde linie zouden komen. In april
1918 bestond daarover verschil van mening tussen Commandant Veldleger en
de Opperbevelhebber, die hiervoor geen uitgaven van betekenis wilde
toestaan. Het werk kon volgens hem worden uitgesteld tot er daadwerkelijk
een inval in Zeeland zou komen. Wel werden daartoe achter de Stelling
depots aangelegd voor materialen en gereedschappen, die in geval van een
acute dreiging direct voorhanden dienden te zijn.
Er werd een inundatie hindernis voorbereid, bestaande uit een veertiental polders, die waren gegroepeerd in vier kommen. Kom A: de Noord Heen Polder en de Heensche Polder, kom B: de Oude Heipolder, de West Graaf Hendrik polder, de Oude Vlietpolder, de Aanwas of St. Omcommerspolder en de Rubeere polder, kom C: de polders van Nieuw Vosmeer, de Nieuwe Heipolder, de Mattemburgspolder, de Schuddebeurspolder en de Eendrachtspolder, kom D: de Oud Glimmes polder en de Auvergne polder. De polders van de noordelijke kommen A en B kregen water direct of indirect uit de Steenbergse haven en de Roosendaalse en Steenbergsche Vliet. Het water voor deze kommen kon worden ingelaten via de sluizen van de Heen (de Benedensas). Het was dus van belang dat deze sluis in handen bleef van de verdedigers. Voor de polders in de zuidelijke kommen C en D werd water ingelaten uit de Eendracht. De inlaatmiddelen voor deze polders lagen dus aan de kant van de vijand zodat er gevaar bestond dat de inundaties werden afgetapt. Door het vernielen van enkele sluizen en het maken van coupures aan de eigen zijde konden de verdedigers dit tegengaan.
(5) De Keerdijk was de dijk tussen Auvergnepolder en de Theodoruspolder. De dijk bestaat niet meer. Op deze plaats is nu het industrieterrein Theodorushaven gelegen.
(6) NA 2.13.45, inv.nr. 1055, brief 8140