|
|
|
|
|
Het zuidelijk gedeelte van de Stelling West Noord-Brabant was geheel gelegen op de rand van de Brabantse wal. De hoogte ervan varieert van ruim 20 meter boven NAP bij De Geest (7) tot 17 Meter bij de Peeberg/Ossendrecht en 14 meter bij Lindonk. In het noorden lag de stelling achter de slikken van de onvoldoende begaanbaar geachte Oosterschelde. Het belangrijkste acces was hier de dijk van de spoorlijn van Bergen op Zoom naar Zeeland. Deze liep toen nog dwars over de slikken die pas na de Eerste Wereldoorlog ingepolderd zijn. Een andere verbinding over land met Zuid-Beveland bestond nog niet.
De eerste linie van het zuidelijke stellinggedeelte begon in het noorden bij Hildernisse. Daarna liep de linie langs de spoordijk, naar De Duintjes en vervolgens via Korteven naar Woensdrecht. Daar was de stelling hoger gelegen dan het dorp. Dit was een tactisch belangrijk punt voor de beheersing van naderingen vanuit Zeeland, waaronder de spoorlijn. Van hier liep de linie verder naar De Geest, een tactisch eveneens belangrijk deel van de Brabantse Wal. Vervolgens liep de stelling verder langs Peeberg en het dorp Ossendrecht naar Leemberg (8), het zuidelijkste punt van de stelling. Tussen Leemberg en de Belgische grens lag de te inunderen Zuidpolder van Ossendrecht. De terreingedeelten bij Hildernisse/De Duintjes, Woensdrecht, De Geest en Peeberg werden vanwege hun ligging beschouw als tactisch belangrijk en werden daarom extra versterkt. Bij het ontwerp van de stelling was uitgegaan van drie achter elkaar liggende en onderling verbonden loopgraven.
De eerste gevechtsloopgraaf volgde het
natuurlijk verloop van de hoge grond en was voorzien van
mitrailleuropstellingen, o.a. ten behoeve van flankerend vuur. In de
verbindingsloopgraven waren ook scherf- en granaatvrije schuilplaatsen
aangebracht voor een ¼ sectie infanterie en de bemanning van de
mitrailleurs. E.e.a. was uitgevoerd als veldversterking van hout en aarde.
De meest bijzondere type schuilplaatsen waren de gemineerde, d.w.z die in
de grond uitgegraven, schuilplaatsen. Deze waren met houten prefab
raamwerken bekleed en hadden een gronddekking van ca 8 meter. Uit
veiligheidsoverweging diende elke schuilplaats twee uitgangen te hebben,
waartoe vaak twee naast elkaar liggende schuilplaatsen met elkaar
verbonden werden.
Alleen bij De Geest waren in de eerste linie voor de aldaar opgestelde
mitrailleurs en bemanning betonnen schuilplaatsen gebouwd. Deze waren van
ongewapend beton en hadden een wanddikte van 1,5 meter aan de frontzijde
en zijkanten en van een meter aan de keelzijde, evenals het dak dat
bovendien was versterkt met spoorrails.
Op ca. 200 meter achter de eerste linie was een tweede linie gedacht, met daarin o.a. diverse ‘steunpunten’. Dit waren zelfstandige rondgaande gevechtsloopgraven voorzien van (gemineerde) schuilplaatsen en mitrailleuropstellingen; ze waren geheel omgeven door een ruim 10 meter diepe prikkeldraadversperring. Doordat de tweede linie nooit in uitvoering werd genomen ontbreken ook deze steunpunten, echter met uitzondering van het steunpunt bij De Geest.
Evenals in het noordelijke deel van de stelling werden een aantal polders,
samengevoegd in 5 kommen, voorbereid om geïnundeerd te kunnen worden.
Kom A: de polder tegen de Brabantse oever ten noorden van de spoordam
Noord-Brabant – Zuid-Beverland, kom B: Nieuw Hinkelenoord polder, Vijdt
polder, Völker polder, Caters polder, Dames polder, van der Duijns polder,
Anna Maria polder en de van der Eijnde polder, kom C: Prins Karel polder,
kom D: Oud Hinkelenoord polder, Noordpolder van Ossendrecht en de Zuid
polder, Kom E: Nieuwe Zuid polder.
Het benodigde water kwam grotendeels uit de ten westen van de polders
lopende Kreekrak. Ook hier lagen de belangrijkste inlaatpunten aan de
vijandelijke zijde van de inundatie zodat speciale maatregelen getroffen
moesten worden om te voorkomen dat de inundatie kon worden afgetapt. Een
van deze maatregelen was een coupure in de westelijke dijk van de Völcker
polder. Om deze snel te kunnen maken waren in deze dijk een aantal
mijnputten gegraven waarin speciale waterdichte springladingen aangebracht
konden worden. Deze waren opgelegd in een schuilplaats nabij de Kreekrak.
De mijnputten waren afgedekt met houten deksels en werden ’s winters weer
met aarde gevuld om de dijk niet te veel te verzwakken.
In het noordelijk gedeelte van de stelling resteren nog vier betonnen
schuilplaatsen van het infanteriesteunpunt aan de weg Tholen – Halsteren.
Twee schuilplaatsen zijn gebouwd op basis van het eerder genoemde ontwerp
van de Genie. Een van deze schuilplaatsen heeft twee ingangen, de andere
één. Van dit type schuilplaatsen zijn er ook in en rond Willemstad enkele
te vinden. De andere twee schuilplaatsen zijn van een kleiner model
waarover in de stukken niets gevonden is. Gezien de ligging bestaat het
vermoeden dat deze schuilplaatsen bedoeld geweest zijn voor de bediening
van de mitrailleur. De vier schuilplaatsen zijn van 18 cm gewapend beton
en vermoedelijk bedekt geweest zijn met een puindekking.
In het zuidelijke stellinggedeelte, bij De Geest, zijn de restanten van
twee van de betonnen schuilplaatsen voor mitrailleur en bemanning
teruggevonden. Daaruit is niet op te maken of er gepoogd is de
schuilplaats te slopen of dat hij nooit voltooid is. De locatie van een
derde schuilplaats is bekend. Deze schuilplaats is echter niet meer
zichtbaar omdat hij geheel onder de grond weggewerkt is.