De stelling West Noord-Brabant (4)

terug naar vorige pagina naar Homepage deze pagina afdrukken

 

 

 

 

De ligging van het terrein in de stelling Zuid (naar boven)

Kaart van het zuidelijk stelling gedeelte. Klik op afbeelding voor een vergroting.

Het zuidelijk gedeelte van de Stelling West Noord-Brabant was geheel gelegen op de rand van de Brabantse wal. De hoogte ervan varieert van ruim 20 meter boven NAP bij De Geest (7) tot 17 Meter bij de Peeberg/Ossendrecht en 14 meter bij Lindonk. In het noorden lag de stelling achter de slikken van de onvoldoende begaanbaar geachte Oosterschelde. Het belangrijkste acces was hier de dijk van de spoorlijn van Bergen op Zoom naar Zeeland. Deze liep toen nog dwars over de slikken die pas na de Eerste Wereldoorlog ingepolderd zijn. Een andere verbinding over land met Zuid-Beveland bestond nog niet.

De inrichting van de stelling Zuid (naar boven)

De eerste linie van het zuidelijke stellinggedeelte begon in het noorden bij Hildernisse. Daarna liep de linie langs de spoordijk, naar De Duintjes en vervolgens via Korteven naar Woensdrecht. Daar was de stelling hoger gelegen dan het dorp. Dit was een tactisch belangrijk punt voor de beheersing van naderingen vanuit Zeeland, waaronder de spoorlijn. Van hier liep de linie verder naar De Geest, een tactisch eveneens belangrijk deel van de Brabantse Wal. Vervolgens liep de stelling verder langs Peeberg en het dorp Ossendrecht naar Leemberg (8), het zuidelijkste punt van de stelling. Tussen Leemberg en de Belgische grens lag de te inunderen Zuidpolder van Ossendrecht. De terreingedeelten bij Hildernisse/De Duintjes, Woensdrecht, De Geest en Peeberg werden vanwege hun ligging beschouw als tactisch belangrijk en werden daarom extra versterkt. Bij het ontwerp van de stelling was uitgegaan van drie achter elkaar liggende en onderling verbonden loopgraven.

Doorsnede van een gemineerde schuilplaats. Klik op afbeelding voor een vergroting.

De eerste gevechtsloopgraaf volgde het natuurlijk verloop van de hoge grond en was voorzien van mitrailleuropstellingen, o.a. ten behoeve van flankerend vuur. In de verbindingsloopgraven waren ook scherf- en granaatvrije schuilplaatsen aangebracht voor een ¼ sectie infanterie en de bemanning van de mitrailleurs. E.e.a. was uitgevoerd als veldversterking van hout en aarde. De meest bijzondere type schuilplaatsen waren de gemineerde, d.w.z die in de grond uitgegraven, schuilplaatsen. Deze waren met houten prefab raamwerken bekleed en hadden een gronddekking van ca 8 meter. Uit veiligheidsoverweging diende elke schuilplaats twee uitgangen te hebben, waartoe vaak twee naast elkaar liggende schuilplaatsen met elkaar verbonden werden.
 

Alleen bij De Geest waren in de eerste linie voor de aldaar opgestelde mitrailleurs en bemanning betonnen schuilplaatsen gebouwd. Deze waren van ongewapend beton en hadden een wanddikte van 1,5 meter aan de frontzijde en zijkanten en van een meter aan de keelzijde, evenals het dak dat bovendien was versterkt met spoorrails.
 

Steunpunt in de tweede linie bij De Geest. Klik op afbeelding voor een vergroting.

Op ca. 200 meter achter de eerste linie was een tweede linie gedacht, met daarin o.a. diverse ‘steunpunten’. Dit waren zelfstandige rondgaande gevechtsloopgraven voorzien van (gemineerde) schuilplaatsen en mitrailleuropstellingen; ze waren geheel omgeven door een ruim 10 meter diepe prikkeldraadversperring. Doordat de tweede linie nooit in uitvoering werd genomen ontbreken ook deze steunpunten, echter met uitzondering van het steunpunt bij De Geest.

Inundaties Zuid (naar boven)

Evenals in het noordelijke deel van de stelling werden een aantal polders, samengevoegd in 5 kommen, voorbereid om geïnundeerd te kunnen worden.
Kom A: de polder tegen de Brabantse oever ten noorden van de spoordam Noord-Brabant – Zuid-Beverland, kom B: Nieuw Hinkelenoord polder, Vijdt polder, Völker polder, Caters polder, Dames polder, van der Duijns polder, Anna Maria polder en de van der Eijnde polder, kom C: Prins Karel polder, kom D: Oud Hinkelenoord polder, Noordpolder van Ossendrecht en de Zuid polder, Kom E: Nieuwe Zuid polder.
Het benodigde water kwam grotendeels uit de ten westen van de polders lopende Kreekrak. Ook hier lagen de belangrijkste inlaatpunten aan de vijandelijke zijde van de inundatie zodat speciale maatregelen getroffen moesten worden om te voorkomen dat de inundatie kon worden afgetapt. Een van deze maatregelen was een coupure in de westelijke dijk van de Völcker polder. Om deze snel te kunnen maken waren in deze dijk een aantal mijnputten gegraven waarin speciale waterdichte springladingen aangebracht konden worden. Deze waren opgelegd in een schuilplaats nabij de Kreekrak. De mijnputten waren afgedekt met houten deksels en werden ’s winters weer met aarde gevuld om de dijk niet te veel te verzwakken.

Wat nu nog resteert (naar boven)

In het noordelijk gedeelte van de stelling resteren nog vier betonnen schuilplaatsen van het infanteriesteunpunt aan de weg Tholen – Halsteren. Twee schuilplaatsen zijn gebouwd op basis van het eerder genoemde ontwerp van de Genie. Een van deze schuilplaatsen heeft twee ingangen, de andere één. Van dit type schuilplaatsen zijn er ook in en rond Willemstad enkele te vinden. De andere twee schuilplaatsen zijn van een kleiner model waarover in de stukken niets gevonden is. Gezien de ligging bestaat het vermoeden dat deze schuilplaatsen bedoeld geweest zijn voor de bediening van de mitrailleur. De vier schuilplaatsen zijn van 18 cm gewapend beton en vermoedelijk bedekt geweest zijn met een puindekking.
In het zuidelijke stellinggedeelte, bij De Geest, zijn de restanten van twee van de betonnen schuilplaatsen voor mitrailleur en bemanning teruggevonden. Daaruit is niet op te maken of er gepoogd is de schuilplaats te slopen of dat hij nooit voltooid is. De locatie van een derde schuilplaats is bekend. Deze schuilplaats is echter niet meer zichtbaar omdat hij geheel onder de grond weggewerkt is.