De stelling West Noord-Brabant (1)

terug naar vorige pagina naar Homepage deze pagina afdrukken

 

Ligging (naar boven)

De Stelling West Noord-Brabant is gelegen op de rand van de hoger gelegen Brabantse Wal. De polders ten westen hiervan konden geïnundeerd worden.

Doel (naar boven)

De Stelling had ten doel de Nederlandse troepen op te vangen in het geval van een Engelse inval in Zeeland via Zuid-Beverland en het eiland van Tholen en het voorkomen van een Engelse aanval op Belgie via Noord-Brabant.

Wat er aan vooraf ging (naar boven)

De noodzaak van een strategische opstelling tegen een dreiging uit westelijke richting komt voort uit de politieke en militaire verhoudingen tussen de grootste tegenspelers uit de tweede helft van de 19e eeuw, Frankrijk en Groot-Brittannië aan de ene zijde en Duitsland aan de andere zijde. Vooral na de Frans-Duitse oorlog van 1870 werd in Nederland de mogelijkheid van een Britse of Franse aanval via Zeeland in de richting van Duitsland en België voorzien. Bevreemding wekt dit niet, want reeds in 1809 probeerden Britse troepen via Walcheren de haven van Antwerpen aan te vallen. Maar een dergelijke aanval zou het einde kunnen betekenen van de Nederlandse neutraliteit.

Hoewel Nederland geen partij was in de conflicten tussen de genoemde tegenspelers moest er wel rekening mee worden gehouden dat ons land bij een eventuele strijd aan haar landsgrenzen betrokken kon raken. Beide partijen konden er strategisch voordeel bij hebben een aanval of omtrekkende beweging over Nederlands grondgebied te laten lopen, maar konden ook baat hebben bij een goed verdedigd Zeeland. Als Nederland echter de verdediging van Zeeland verwaarloosde kon één der partijen daarin een voorwendsel zien om de ander voor te zijn en het gebied te bezetten.

Overzicht van de diverse stellingen en linies. Klik op afbeelding voor een vergroting.

Duitsland kon, door Zeeland te bezetten, zijn opstellingen en verbindingslijnen in België beter beschermen en eventueel ook gebruik maken van Antwerpen als haven. Engeland daarentegen zou via Zeeland en Noord-Brabant de Duitse aanvoerlijnen naar het front in noord Frankrijk kunnen bedreigen.
De aanvallende partij riskeerde dan wel dat Nederland zich zou aansluiten bij haar tegenstander. De Nederlandse regering hoopte uiteraard dat beide partijen voordelen zouden zien in een neutraal Nederland.

In de periode 1905 – 1908 werden er door de Generale Staf verkenningen en stafoefeningen gehouden met het oog op vijandelijke aanvallen uit verschillende richtingen.
Niet iedereen achtte het waarschijnlijk dat er een aanval via Zeeland zou plaatsvinden. Onder meer bij de discussies over de bouw van een nieuw kustfort bij Vlissingen meenden de tegenstanders van zo’n fort dat het veldleger – in het onwaarschijnlijke geval van een geallieerde landing in Zeeland – vanaf de Brabantse Wal daartegen effectief zou kunnen optreden.
In 1910 werden door de Generale Staf, onder leiding van luitenant-generaal C.J. Snijders, “Strategische Aanwijzingen” opgesteld waarin (o.a.) met een landing van Britse troepen in Zeeland rekening werd gehouden. In 1914 werden in het latere stellinggebied oefeningen gehouden in het bezetten en verdedigen van een stelling op de Brabantse Wal. Bij deze oefeningen was ook betrokken de commandant van de IIIe Divisie, de generaal-majoor W.H. van Terwisga, die eind 1915 werd benoemd tot Commandant Veldleger (C.V.). In deze functie zou hij veel te maken krijgen met de aanleg van de “Stelling West Noord-Brabant”.